Het Erasmus+-programma is al decennialang een belangrijk moment in het leven van jonge Europeanen – een kans om culturen te overbruggen en nieuwe talen te leren. Maar in 2026 doemt een nieuwe, onzichtbare barrière op: een gesloten deur. Nu de huurprijzen in universiteitssteden recordhoogtes bereiken, verandert de "Erasmusgeneratie" steeds meer in de "thuisblijfgeneratie".
De realiteit van de ‘luxe’-ruil
In steden als Amsterdam bedraagt de gemiddelde maandhuur voor een privékamer €1.150 , terwijl dat in Parijs gemiddeld €961 is. Voor velen is dat gewoonweg niet te overzien.
De gemiddelde Erasmus+-beurs voor 2026 dekt deze kosten vaak niet, waardoor er een aanzienlijk 'financieringsgat' ontstaat nog voordat een student de kosten voor eten of vervoer kan betalen. Onderzoek wijst uit dat 42% van de jongeren die risico lopen op armoede, nu meer dan 40% van hun inkomen aan huisvesting besteedt.
De Europese Studentenunie (ESU) stelt expliciet dat de woningnood "duizenden jongeren en studenten uitsluit van hoger onderwijs" en het risico met zich meebrengt dat studiemobiliteit een "privilege van een kleine groep" wordt. De wanhoop heeft ook geleid tot een toename van misstanden; ongeveer 25% van de uitwisselingsstudenten geeft aan slachtoffer te zijn geworden van oplichting bij het huren van een woning tijdens hun zoektocht.
Een nieuwe kaart van ongelijkheid
De woningcrisis verandert fundamenteel waar studenten naartoe gaan. We zien een verschuiving naar meer betaalbare 'hubs':
-
De betaalbare alternatieven: Steden zoals Boedapest (€370) en Athene (€400) winnen aan populariteit omdat studenten er comfortabel kunnen leven binnen de grenzen van hun studietoelage.
-
De trend van 'thuisblijven': In landen als Nederland dwingt het tekort aan kamers (momenteel meer dan 20.000 ) studenten ertoe om bij hun ouders te blijven wonen in plaats van zelfstandig te wonen.
